Heemkundekring De Vrijheijt van Rosendale

Wie wil horen een goet nieu liet
 
Wie wil horen een goet nieu liet,
Hoort toe: ick sal ‘t u singhen!
Van drie ghesellen uit Rosendael:
Op vrijbuit was ‘t dat sy ghinghen.
 
Sy ghinghen byloo by nachte niet, (byloo = bastaardvloek:bij God)
Maer sy ghinghen op avonture,
So
langhe dat sy gheldeloos waren:
Dat duurde een cort hallifure.
 
Als sy ter halver weghen quamen,
Een coopman quam haer teghen:
“Lech of, lech of jouw coopmans goet,
Wilt ghijder behouden uw leven!”
 
Ick lech niet of mijn coopmans goet
En daertoe mijn jonghe leven:
Ick hebber noch silver en roder gout
En dat sal icker jou gheven!”
 
Die coopman sijnen tas ontsloot
En hy schonker wel hondert cronen:
“Houdt daer, ghesellen van Rosendael,
Verteertse
met vrouwtjes schone!”
 
Doe sprack de jongste al van de drie:
“Die buit willen wy gaen klijven (klijven = in tweeën delen)
En gheven den coopman sijn half goet weer:
So
mach hy een coopman blijven!” (mach = kan)
 
Doe sprack de outste al van de drie:
“Die buit willen wy gaen houwen
En copen ons elc een appelgrau ros
En rijden t’ Antwerpen binnen!”
 
Als sy t’ Antwerpen binnen quamen,
t’ Antwerpen binnen de muren,
Sy
wierden op een pijnbanc gheleit:
Dat deder haer jonc hart truren,
 
“Nu synder al ons leden laem,
Wat sullen wy gaen beghinnen?
Ick wilder niet meer naar Rosendael gaen
En horen den nachtegael singhen!”
 
O nachtegael, kleyn vogelkijn,
hoe hebt ghy my bedroghen?
ghy placht te singhen onder eenen peerenboom
in veel schoon vroutjes oogen.
 
O nachtegael, kleyn vogelkijn,
wilt ghy my leeren singen?
- 'Ik singer in 't wout, kleyn vogel stout,
niemand kander mijn bedwingen.
 
- 'Bent ghy in 't wout, kleyn vogel stout,
kan jou niemant bedwingen?
so dwingt jou de hagel, de koude snee,
het loof al van der linde.

Naar Hoffmann von Fallersleben, Horae Belgicae II, p. 139. Ontleend aan Oudt Amsterdamsch Liedboeck. Melodie van Duyse I, nr. 12

Terug