Heemkundekring De Vrijheijt van Rosendale

Onderstaande tekst is nagenoeg letterlijk ontleend aan het hoofdstuk EEN MOEDIG MAN uit “Van Turfnering naar Grootindustrie” (Een vertelling over de geschiedenis van Roosendaal en Nispen), door Broeder Albertinus.

Een moedig man

In de eerste jaren van de strijd tegen Spanje (80 jarige oorlog van 1568 tot 1648), toen de vervolging der Katholieken in sommige gedeelten van Brabant reeds woedde, heeft de Roosendaalse Karthuizer Erasmus Vroom zich heel verdienstelijk gemaakt. Hij was rond 1539 in onze stad geboren uit een heel bekende familie. Zijn broer was bijvoorbeeld kerkmeester der parochiekerk, H.Geestmeester, schepen en stadhouder van Jonker Godefroy van Wasservas, de stichter van het Godshuis. Bovendien was die broer in 1582 koning van het St.Sebastianus-schuttersgilde.

Reeds jong was Erasmus in 1555 te Geertruidenberg in het Karthuizerklooster getreden. Dit was een convent van kluizenaars, die ieder in een apart kluisje woonden en slechts driemaal per dag in de kapel samen kwamen: 's nachts voor het nachtelijk koorgebed, 's morgens voor de H.Mis en 's middags voor de Vespers. Verder leefden, baden, aten, studeerden en werkten ze ieder in hun eigen kluiswoninkje.

Al spoedig moest Erasmus Vroom voor de stoffelijke zaken van het klooster als procurator zorgen. In die tijd werd onder zijn leiding de prachtige kloosterkerk gebouwd. Bovendien liet hij een nog bestaande nauwkeurige kaart tekenen, waarop alle kloosterbezittingen en het convent zelf stonden afgebeeld.

Later werd hij prior en nu had hij vooral de zorg voor de geestelijke belangen van zijn kluizenaars. Maar het Karthuizerklooster te Geertruidenberg werd door de optrekkende Geuzentroepen zwaar gehavend, nog later liet Willem van Oranje de kloostergebouwen slopen. De kluizenaars zochten nu in andere karthuizerskloosters een gastvrije cel. Maar de karthuize had nog steeds vele bezittingen te Geertruidenberg en in de wijde omgeving, zodat Erasmus ter behartiging van deze goederen naar Breda moest.

In Etten gekomen, trof hij er geen pastoor aan. Om de mensen, die geen priester hadden, te helpen, bleef hij zo lang in Etten en Bisschop Lindanus van 's-Hertogenbosch stelde hem er tot pastoor aan. Zeven jaar lang heeft Erasmus Vroom onder zeer moeilijke omstandigheden de priesterlijke bediening uitgeoefend. Twee maal werd hij door de Staatse troepen om deze reden gevangen gezet; de ene keer te Hoogstraten, de andere maal te Bergen op Zoom. Nadat er voor hem een hoog losgeld was betaald, kwam hij weer vrij. Natuurlijk ging hij naar Etten terug.

Maar de Karthuizeroversten vonden het niet goed, dat Erasmus zo lange tijd pastoor was en ze riepen hem naar de karthuize te Vught. In diezelfde tijd brandde de Ettense parochiekerk af, aangestoken door de Protestanten. Nu ging Erasmus Vroom maar naar Vught, maar onderweg werd hij aangehouden. De soldaten brachten hem naar Gelder, waar hij vier maanden werd gevangen gehouden, zo kwaad waren ze op zijn priesterlijke arbeid. Pas toen de Abdis van Thorn voor hem een hoog losgeld had betaald, werd pastoor Vroom vrijgelaten.

De Karthuizers van Vught waren ondertussen naar St.Michielsgestel gevlucht en daar aangekomen bemerkt Erasmus, dat er ook hier gebrek is aan priesters. Weer werkt hij enige jaren als pastoor, totdat hij door zijn prior naar Scheut bij Brussel wordt ontboden. In deze laatste kluizenarij heeft hij nog enige jaren geleefd, steeds vol zorg voor de goederen van het karthuizenklooster te Geertruidenberg, waarvoor hij zo geijverd had.

Op 1 april 1603 is deze rusteloze, ijverige en moedige werker gestorven. De Karthuizers roemen zijn grote verdiensten voor de Orde, wij moeten hem dankbaar zijn voor wat hij voor onze vervolgde voorouders in deze streken heeft gedaan en ondergaan.

Broeder Albertinus

Terug